Handige Spaanse woorden

SPAANSE WOORDEN = PALABRAS EN ESPAGNOL

BEGROETING = saludo

goede morgen/dag – buenos dias

goede middag tot 20.00 – buenos tardes

goede avond na 20.00 -buenos noches

hallo - hola (olla)

alles ok? – todos bien (toodoo bjen)

ETEN EN DRINKEN = comer y beber

kopen – comprar (ik koop – yo compro)

Hoeveel kost het – quanto costa

dat is duur / dat is goedkoop – esta es caro / esta es barato

dat is heel heet (temperatuur) / pittig – esta es muy caliente (kajente) /picante

koud – frio of fria

erg belangrijk !!! - muy importante !!! (koud bier = cerveza fria)

ik wil (dansen / eten / drinken)- (yo) quiero ( bailar / comer / beber)

ik heb dorst – (yo) tengo sed

ik heb honger – (yo) tengo hambre (ambre)

eten – comer

melk – leche (letsje)

bier – cerveza (servèsaa)

de winkel – la tienda

open / dicht – abierto / cerrado

het geld – el dinero

ik heb geen geld – no tengo dinero

rum cola - trago (=cuba libre)

rode wijn /witte wijn- vino tinto / vino blanco (binoo)

rose – vino rosado

rum – ron met ijs – con hielo ( kon jelloo) = veilig gemaakt van bronwater

ijs (consumptie ijs) – helado

kaas – queso (keesoo)

boter – mantequilla

ham – jamon (gamon)

vlees – carne

vis – pescado

kreeft – langosta

garnalen (klein) camarones

garnaal (groot) gamba

(zout water) krab – cangrejo (kangreggo)

(zoet water) krab – hayba

tonijn – atun (aatoen)

biefstuk – filette de res

rijst – arroz

patat – papas fritas

zeeslak – lambik

avacodo – aquacate

advokaat (rechtsgeleerde)- abogado

sla -  lechuga

salade – ensalada

HET WEER = el tiempo

erg warm (het weer) - mucho calor

regen – lluvia (joebia)

storm / onweer - tormenta

donder – trueno

bliksem – relampago

schaduw – sombra

zon – sol

de regenboog - el arco iris (el arko iri)

SCHRIJVEN = ESCRIBIR (ik schrijf = yo escribo)

brief – carta

liefdesbrief – carta amorosa

postkantoor – la oficina de correos

internet cafe – servicio de internet

het loket – la contador

computer – ordenador / computador

woord - palabra

ansichtkaart – tarjeta postal (targetta)

email bericht – mensaje de correo electronico

een verhaal – una historia

een boek – un libro

een tijdschrift – una revista

een krant – un periodico

de krant van vandaag – el periodico de hoy

OP STRAAT = a la calle

maandag – lunes (loenes)

dinsdag – martes

woensdag – miercoles (mie-erkoles)

donderdag – jueves (goe-ebes)

vrijdag – viernes (bie-ernes)

zaterdag – sabado

zondag – domingo

lente – primavera

zomer – verano (berano)

herfst – otono (otonjo)

winter – invierno (inbie-erno)

bromfiets taxi – concho (konsjoo en niet konjoo want dat =  klootzak)

ver weg / dichtbij-/ lejos (leggos)/ cerca (serkaa)

wisselen/ruilen – cambiar

benzinestation – la bomba

werkplaats – repuesto

de band (lekke band) - la goma (goma pincada)

huren – alguilar

pijn - dolor

daar - aja

hier – aqui

verderop – ademas

boven (hoger gelegen) arriba

onder – abajo (abaggoo)

vooraan – delante

vooraf/eerder – antes

achter - detras

achteraf/later – despues

tegenover – enfrente

hoog – alto

laag – bajo (baggoo)

vroeg – temprano / pronto

laat – tarde

haren – pelos

vlechten – trenzas

vandaag – hoy

morgen – manana (manjana)

overmorgen – pasado manana

gisteren – ayer

eergisteren – anteayer

deze week / maand / jaar / vakantie - esta semana / este mes / este ano / este vacacion

volgende week - semana proxima

vorig jaar – ano pasado (anjo passadoo)

KLEUREN = colores

blond – rubio (roebioo)

bruin – moreno

zwart – negro

rood – rojo (roggoo)

geel – amarillo (amariejoo)

blauw – azul (aazoel)

groen – verde (berde)

goud – oro

zilver – plata

UITGAAN

vriend/vriendin - amigo / amiga

liefde - amor

hart – corazon

droom – sueno (suenjoo)

verliefd - enamorado

voor eeuwig - para siempre

altijd - siempre

nooit - nunca

ik wil dansen – quiero bailar

ik wil wat drinken – quiero beber / quiero un trago

ik wil slapen – quiero dormir

een vrouw – una mujer (oena moegèr)

knap – linda / guapa

nee dank u ik dans niet – no gracias (yo) no bailo

FAMILIE = familia

neef/nicht – primo/prima

meisje/jongen – nina/nino (ninja/ninjo)

dochter/zoon – hija/hijo (iegaa/iego)

vader/moeder – padre/madre

broer/zus – hermano/hermana

oom/tante – tio/tia

opa/oma – abuelo/abuela

kleinzoon/kleindochter – nieto/nieta (nie-étoo)

verloofde – novio/novia (noobioo)

echtgenoot/echtgenote – esposo/esposa

BEESTEN = animales

kip – pollo (pòjoo)

mier – hormiga (ormiga)

haan – gallo (gàjoo)

vechthaan – gallo de pelea

geit- cabra

varken – cerdo (serdoo)

koe – vaca (bakkaa)

stier – torro

paard – caballo (kabajoo)

schaap – oveja (oobeega)

ezel – burro (boero)

eend – pato

BEROEPEN = profesiones

bakker – panadero

slager – carnicero

groenteman – verdulero (berdoeléroo)

winkelier - tendero

visser – pescador

verkoper – venedor

ober – camerero

tuinman - gardinero

Comments are closed.